menu
 winkelmandje 

De techniek vraagt om hoofd, hart en handen 

Interview met Jan de Laat, door John Hogervorst  

We leven in een uitgesproken technologische samenleving. We maken haast allemaal gebruik van een auto, van de telefoon, van de computer enzovoorts. Maar de techniek heeft ook systemen in de wereld gebracht die onbeheersbaar dreigen te worden zoals kernenergie of genetische technologie. Techniek maakt veel mogelijk, maar is het zo dat alles wat mogelijk is ook wenselijk is?

Natuurlijk wil ik niet beweren dat de techniek alleen maar schaduwkanten heeft. Allerlei technische vindingen dragen er toe bij dat de mens meer ruinte krijgt om zijn persoonlijk leven vorm te geven en zijn levensbestemning, zijn lot, in eigen hand te nemen. Het is voor een groot deel aan de techniek te danken dat wij geen 60-urige werkweek meer hebben.

We zien echter ook dat menselijke arbeid steeds meer geautomatiseerd wordt. Arbeid wordt als kostenfactor behandeld en wordt dus zoveel mogelijk wegbezuinigd, terwijl de inhoud van het werk in veel beroepen eenzijdiger wordt en steeds minder een appèl doet aan wat vroeger vakmanschap werd genoemd. Wat betekent dat voor de motivatie van de werkende mens? Beseffen wij dat we als werkende mens altijd voor onze medemens aan het werk zijn; dat alles wat wij doen of maken voor een ander bestemd is?

In mijn boek doe ik een oproep om vragen te stellen bij deze ontwikkelingen. Vragen over de plaats van de techniek in onze samenleving; over de betekenis van de arbeid voor de mens en de vragen die hieruit voortkomen voor opvoeding en onderwijs.

Opvoeding en onderwijs spelen hierin een grote rol! Al in de kleuterjaren, en zelfs daarvoor al, hebben kinderen met techniek te maken en het is opmerkelijk hoe kinderen al op jonge leeftijd met de techniek vertrouwd zijn. Met schijnbaar groot gemak 'begrijpen' ze allerlei technische apparaten. Maar de wereld van de techniek is een wereld waarin het kind met zorg binnengeleid moet worden. Het kleine kind, zo zei Rudolf Steiner, ervaart de wereld om zich heen altijd als 'goed'. Het iets oudere kind zoekt autoriteit, bijvoorbeeld in zijn ouders of in de leerkracht. En als ze tegen de 14 jaar oud zijn willen ze onderzoeken of de wereld 'waar' is. Wat betekent het voor deze kinderen wanneer ze dagelijks uren voor het beeldscherm van een tv of computer zitten? Dergelijke vragen moeten we proberen onder ogen te zien.

Om leerlingen te begeleiden op hun weg naar de volwassenheid mag van goed, dat wil zeggen menselijk, onderwijs verwacht worden dat hoofd, hart en handen worden aangesproken. In onze tijd ligt de nadruk nog altijd op de cognitieve ontwikkeling en worden hoofd, hart en handen niet in gelijke mate aangesproken. Door wetgeving, en bijvoorbeeld het verplichte toetsen en testen, entkomen ook de Vrije Scholen daar niet aan. En terwijl de tijd vraagt om verantwoordelijke, doortastende, 'handelingsbekwame' mensen zien we steeds meer apathie en onverschilligheid en mensen die hun ideeën of voomemens niet in werkelijkheid kunnen omzetten.

Als leraar, of als leerling, kun je veel weten, maar het is iets anders als je de dingen ook werkelijk 'aan den lijve' ondervonden hebt. Als je iets zelf hebt gedaan, iets zelf hebt ervaren. Dus: in een inspirerende totaalvisie op het onderwijs zou een leerling ook veel ervaringen moeten kunnen opdoen.

Ik heb o.a. veel met leerlingen in de smederij gewerkt en heb gezien hoe vruchtbaar dergelijke ervaringen kunnen zijn. Door een bezigheid als het smeden worden allerlei kwaliteiten aangesproken. Je moet van tevoren weten wat je gaat maken en hoe je dat gaat aanpakken. Je moet alles wat erbij nodig is overzien en materiaal, gereedschappen, kolen en water onder handbereik hebben. Oftewel: je moet voor-denken. En als je eenmaal bezig bent moet je een gevoel ontwikkelen voor enerzijds de gloeikleur (donkemood, lichtrood, oranje, geel, wit) van het werkstuk en anderzijds de buigzaamheid ervan. Dat gevoel kan alleen al werkend ontstaan. Is het ijzer hard, taai, of 'boterzacht'? Als het te heet is geworden dan 'verbrandt' het en moet je opnieuw beginnen. Blijft de gloeikleur te donker dan betekent dat dat je nog harder zal moeten slaan om het werkstuk de juiste vorm te geven en dat hou je fysiek niet vol. Je moet letterlijk 'het ijzer smeden als het heet is', en dat vereist daadkracht en de moed om een beslissing te nemen. En als het ijzer dan de goede temperatuur heeft moet je aan de slag, efficiënt en zonder pauze, met ritme.

Maar je kunt je ook voorstellen wat een voldoening het kan geven wanneer je eigenhandig een mooi werkstuk gemaakt hebt! Je hebt er echt voor gewerkt en dat geeft voldoening en waardering. Het geeft je zelfvertrouwen en door zo bezig te zijn ontwikkel je een gevoel voor wat echt en onecht is, voor kwaliteit of rommel.

Het onderwijs zou leerlingen veel van dergelijke ervaringen mee moeten geven, naast het ontwikkelen van het intellect maar ook het aanspreken van gevoel voor schoonheid en moraliteit. Dan zou de leerling als volwassene echt mens van deze wereld zijn - en zouden we ook de techniek de plaats kunnen geven die haar toekomt. Want de vragen die de moderne techniek oproept kunnen we niet alleen vanuit een intellectuele afweging beantwoorden. Om deze vragen 'te lijf te gaan' hebben we hoofd, hart en handen hard nodig!