menu
 winkelmandje 

Een spirituele impuls heeft zijn eigen ritme 

Interview met Harrie Salman door John Hogervorst  

Harrie Salman (1953) is cultuurfilosoof. Werkend vanuit de antroposofie geeft hij voordrachten en workshops in vele landen. Ook is hij docent aan de Hogeschool Leiden en aan de Universiteit van Praag. Hij schreef een aantal boeken die ook in het Duits, Engels, Tsjechisch, Russisch, Bulgaars en Hebreeuws werden vertaald. Afgelopen najaar verscheen zijn nieuwste boekje: Antroposofie als culturele factor.

Een van de terugkerende thema's in je boeken is de vraag naar een moderne en eigentijdse invulling van de antroposofie. Je spreekt ook over een noodzakelijke vernieuwing van de antroposofie. Wat bedoel je daarmee en waarom is dat nodig?

Voor mij gaat het in de antroposofie om een dynamisch proces van voortdurende verandering en vernieuwing. De antroposofie kan niet opgesloten worden in een dogmatisch systeem of in bepaalde tijdgebonden vormen. Het is een levende impuls en als we haar toch proberen te fixeren, ontglipt zij ons en houden we een lege huls over. Een impuls kan zich niet in één keer manifesteren en verwerkelijken - daar is tijd voor nodig. Een spirituele impuls heeft zijn eigen ritme en ook de mensen die deze impuls willen dragen, moeten elkaar vinden en gaan daarbij door een ontwikkelingsproces heen.

Hoe zie je dat?

Rudolf Steiner heeft de antroposofie eerst aangeboden aan mensen met een theosofische achtergrond, in een vorm die zij konden begrijpen. Later heeft hij de antroposofie in een andere vorm aan mensen gegeven met een wetenschappelijke achtergrond. Uiteindelijk zou de antroposofie nog een andere vertaling moeten krijgen om de mijoenen mensen te bereiken die volgens hem potentieel antroposoof waren. Rudolf Steiner stierf echter toen hij nog maar pas begonnen was de antroposofie voor iedereen toegankelijk te maken. Daardoor zijn veel vormen (zoals de traditionele ledenavond) en hiërarchische, autoritaire gewoontes uit de begintijd bewaard gebleven. Nu zou hij de antroposofie nog op een heel andere wijze presenteren.

De individuele kant is dat iemand die de antroposofie ontmoet, niet zomaar vanuit de antroposofie kan leven en werken. Een dogmatisch mens wordt eerst een dogmatisch antroposoof. Er is een hele weg van zelfkennis nodig voordat iemand werkelijk een vrij mens is geworden en alleen dan kun je de antroposofie op een goede manier vertegenwoordigen. De sociale kant is dat we voor de realisering van de antroposofische impulsen goed met elkaar moeten kunnen samenwerken.

Wat voor een ritme zie je in de ontwikkeling van de antroposofie?

Het is mij de laatste jaren steeds duidelijker geworden dat de impuls van de antroposofie in een ritme van 33 jaar door de 20e eeuw is gestroomd. Het startpunt was 1902 en de volgende belangrijke jaren zijn 1935, 1968 en 2002. Elke keer stond een nieuwe groep mensen klaar om door de antroposofie te worden geïnspireerd. In 1935 werden zij door de opkomst van het nazisme lamgelegd en bovendien kwam er toen een scheuring in de vereniging. Daardoor verliet de antroposofische impuls de vereniging en begon hij in de wereld te werken.

Dat was goed te merken vanaf 1968, toen er een golf van vernieuwing door de wereld trok, die ook de antroposofische beweging weer gedeeltelijk uit haar isoiement heeft gehaald. Na honderd jaar moet een spirituele impuls echter vernieuwd worden en dat is nu aan de orde. Als dat niet lukt moet er weer een heel nieuwe start gemaakt worden. Nu is de spirituele golfbeweging sterk verbonden met het thema van de globalisering. Dit vraagt van mensen die vanuit de antroposofie willen werken, een openheid naar de wereld en het vermogen om de spirituele vragen van de moderne mens op een heldere wijze onder woorden te brengen en op een ondogmatische wijze met elkaar aan het werk te gaan.

Een ander thema waar je veel mee bezig bent is de opgave en de betekenis van Europa. Wat zie jij als de opgave van Europa of als de specifieke betekenis van de Europese cultuur?

Hier ligt een duidelijke verbinding met het vorige thema. De moderne wereld is in hoge mate door Europeanen gevormd, maar in de huidige globalisering werken heel sterk de invloeden uit de Verenigde Staten. Zij vertegenwoordigen maar een heel klein facet van de Europese cultuur, namelijk het economische element. Europa heeft als taak om een ander concept van globalisering uit te werken, dat aansluit bij de gehele Europese traditie en waarin de vernietigende krachten die in de economie werken, getemd kunnen worden. Europa heeft nog een traditie van rechtsleven en een cultuur die nog niet helemaal is vercommercialiseerd.

In Europa is een spiritueel bewustzijn ontstaan, dat echter nog geen kans heeft gezien nieuwe sociale structuren op te bouwen. Dit had met behulp van het idee van de sociale driegeleding kunnen gebeuren, maar de Europeanen waren daar in 1919 niet wakker genoeg voor. Wel is uit deze sociale impuls in de jaren '70 het hele spectrum van nieuwe sociale bewegingen ontstaan: de milieugroepen, de vredesactivisten, de mensenrechtenbeweging, de vrouwenbeweging. Dit zijn inmiddels globale bewegingen geworden.

Welke positieve ontwikkelingen zie je?

De meer menselijke en sociale globalisering waaraan Europa zou kunnen bijdragen, begint al zichtbaar te worden. Dat is het echte antwoord op de terreurbewegingen. Europese leiders hebben na 11 september een matigende invloed op Amerika uitgeoefend. Er is Europees verzet tegen Amerikaanse plannen in de Wereld Handelsorganisatie (WTO). Europa komt op voor mensenrechten en multinationals worden kritisch gevolgd in de Derde Wereld. De Europese landen vervullen vredesmissies, waar de Amerikanen de bommen hebben gegooid. Ook de Europese Unie staat voor een meer menselijke samenleving dan de VS.

Dit is een goed uitgangspunt, maar het is nog veel te weinig. Er is een kans gemist om aan de voormalige communistische landen een economisch alternatief te bieden voor het Westerse neo-liberale kapitalisme, dat daar is binnengetrokken. Europa kan veel meer zijn dan een economische belangengemeenschap en ik heb de hoop dat in de uitgebreide EU nieuwe kansen ontstaan voor de bescherming van de Europese cultuur en het verder opbouwen van rechtsorganen.

Je reist heel veel en hebt wereldwijd contacten met mensen die zich met de antroposofie verbonden voelen. Hoe ontwikkelt de antroposofie zich buiten de Europese landen waar zij haar oorsprong heeft?

Het is vaak heel verfrissend om te zien hoe de antroposofie buiten Europa vaak heel andere mensen bereikt dan zij bij ons in Europa aanspreekt. Amerikanen bijvoorbeeld zijn heel open voor alles wat nieuw is. Helaas kom ik in allerlei landen soms ook weer dogmatische mensen tegen, maar dat zijn dan meestal invloeden uit Europa. Wat ik in veel landen tegenkom, zijn antroposofische missionarissen, mensen die met hun antroposofische modellen ontwikkelingswerk komen bedrijven. Gelukkig ken ik ook anderen die zich verdiepen in de cultuur van dat andere land, er komen wonen en de taal leren spreken. Dan kan in de ontmoeting met de plaatselijke mensen een nieuwe antroposofie ontstaan, die geworteld is in de andere cultuur.

Dat is ook de bedoeling en alleen dan kan de antroposofie een betekenis hebben voor de wereld.