menu
 winkelmandje 

"De mens kan zowel kunstenaar als kunstwerk zijn" 

Uit een gesprek met Roland van Vliet en Ger van der Pas  

Roland: In de filosofie heb ik me altijd verwant gevoeld met de Platonische Academie in Florence. In die Academie, zo mag je misschien zeggen, werd er gezocht naar een kosmisch mensbeeld, naar het beeld van de mens die door de verschillende planetensferen is gegaan en dat is een weg die in hoge mate de vrijheid van het individu bepaalt. Afwegend wat in onze tijd aan de orde zou zijn, kwam ik op het beeld dat nu de kosmische mens zoals die tussen verschillende mensen werkzaam kan zijn, centraal zou kunnen staan en dat is hetgeen dat tot sociale kunst kan leiden - ik noem dat hier om een beeld van ons ideaal en niet zozeer om een beschrijving van onze opleiding te geven. Voor ons staat centraal dat je vanuit de innerlijkheid van de ziel tot sociaal handelen kan komen. Nadat ik onderzoek heb gedaan naar het manicheïsme en daarover een boek schreef, had ik ook behoefte aan een praktische toepassing van het manicheïstische principe van de liefde. Dat kan leiden tot een verdieping van de sociale kunst.

Ger: Veel mensen worstelen met normen in deze samenleving en het vraagstuk van hun persoonlijke vrijheid. Ieder mens loopt toch in zekere zin tegen het vraagstuk of de noodzaak van ‘sociale kunst’ aan. Kunst gaat vaak vooraf aan sociale verandering, zoals Joseph Beuys steeds heeft laten zien. De kunst komt van de muur af en krijgt een plaats in de wereld van de ervaringen tussen mensen. Wij proberen de kunst heel bewust als middel te gebruiken om sociale processen in te leiden en te begeleiden. Wanneer je met heel je wezen een kunstwerk maakt, bijvoorbeeld schilderend of boetserend, dan kom je vaak op een punt dat je je maaksel wel weg zou willen gooien of zou willen vertrappen. Een dergelijk nulpunt kun je in het sociale ook beleven. Wanneer je door dat punt heen gaat kom je in een gebied waar iets nieuws kan ontstaan, iets dat er voorheen niet was.

Roland: Beuys liet in zijn sociale plastiek zien dat je tot een sociale handeling komt door middel van het gesprek. Vrijheid is creativiteit. Daarom hebben we in de Academie voor Sociale Kunst ook een sterk accent gelegd op de Filosofie van de vrijheid van Rudolf Steiner, omdat je door het ethisch individualisme de mogelijkheid kan vinden om tot een kunstzinnig handelen te komen. In de Filosofie van de vrijheid worden zowel het handelen van de mens als diens kunstenaarschap aangesproken. Steiner laat daar zien dat de mens de aangeboren idee in zich heeft om vrije geest te zijn; hier wordt de mens in zijn diepste waardigheid getekend. De mens kan zowel kunstenaar als zijn eigen kunstwerk zijn. Het idee van de kunst is diep verwant met het idee van de vrijheid. En vrijheid is de basisvoorwaarde voor het bestaan van de liefde, ook voor de liefde die het kwaad kan omvormen. Zo is de Academie voor Sociale Kunst gebouwd op de principiële mogelijkheid om een vrij individu te worden, om tot tegenwoordigheid van geest te komen, als de zielehouding om tot intuïties te komen die het handelen kunnen bestemmen. Wij noemen die zielehouding: ongedeelde aandacht. In zekere zin gaat het daarbij om een zielehouding die je overal en altijd in je kan dragen en die je in staat stelt in vrijheid te leven. Ongedeelde aandacht als de meditatieve levenshouding die tegenwoordigheid van geest geeft in het intuïtieve handelen en het ‘kwaad’ manicheïsch kan omhullen en omvormen, is het hart van dat wat in de Academie geleerd wil worden.

Ger: De rode draad die door de opleiding loopt is om kunst en levensbeschouwingen uit de verschillende cultuurperioden beleefbaar te maken. Door het hele jaar worden er meditatie-oefeningen gedaan om tot die ongedeelde aandacht te komen maar ook om de problemen die je daarin tegenkomt te kunnen bespreken. In het laatste deel van het jaar wordt gewerkt aan oefeningen om tot intuïties te komen. We doen ook spel-oefeningen die later worden uitgewerkt tot oefeningen in zelfwerkzaamheid.

Roland: Die meditatie-oefeningen dragen er ook toe bij dat je het geestelijk wezen van de andere mens kan beleven en daarin ligt het begin van sociale verandering. Die oefeningen blijken een heel wezenlijk deel van de opleiding te vormen. Ze helpen mensen om ‘aanwezig te zijn’ en dus sociaal in verhouding met elkaar te kunnen komen. De verinnerlijking van de ziel bevordert een vruchtbaar sociaal handelen, dat is voor ons een achterliggend gegeven en daarom zijn alle meditatie-oefeningen gericht op het sociale gebied.

Het gaat daarbij om een scholing van het voelen, bijvoorbeeld om het werkelijk voelen van schoonheid of het beleven van de ander. In het voelen ontstaat een verbinding met de wereld die door het denken wordt gericht en in het denken tot kennis leidt. In het voelen ligt de kracht om de beslotenheid van je eigen wezen te doorbreken en je te verbinden - maar natuurlijk niet met een verlies van het denken, dat zou tot een vaag romanticisme leiden.

Ook gaan we in op de achtergronden van o.m. het boeddhisme, manicheïsme, de katharen, de rozenkruisers, de antroposofie. Mensen moeten zich ook gaan thuis voelen in de wereldgeschiedenis. Zelfkennis verbinden met wereldkennis, dat is daarbij de achterliggende gedachte. Het sociaal handelen ligt op het snijvlak van zelfkennis en wereldkennis.

(fragment uit een interview met Ger van der Pas en Roland van Vliet door John Hogervorst, oorspronkelijk gepubliceerd in Driegonaal, jrg.25, nr.1)